woensdag 27 februari 2013

Bakker in familienamen - boek van Jan Spendel

Jan Spendel uit Voorschoten heeft in de afgelopen veertien jaar zeven boeken over familienamen geschreven. Na het eerste boek, dat de familienamen in het algemeen behandelde, heeft hij zich in de volgende delen steeds toegelegd op een semantisch thema. Een drietal ging over beroepen: meiers, molenaars en smeden, een boek ging over namen van buitenlandse oorsprong en in het voorlaatste heeft hij een aantal merkwaardige namen bij elkaar gezet, die mogelijk in aanmerking komen voor het juridische predikaat ‘onwelvoeglijk’ als het erop aan komt van de staat toestemming te verkrijgen voor naamswijziging.
Het zevende boek van Spendel betreft echter weer een beroep. In verschillende hoedanigheden heeft hij ditmaal de bakkers uitgelicht: met enerzijds de broodbakkers, koekenbakkers, bollenbakkers en wafelbakkers - zij die in de deegwaren zitten -, en daarnaast zij die met klei kneden: steenbakkers, pottenbakkers, pannenbakkers en tichelaars.
Het zijn geen boeken waar een commerciële uitgever in geïnvesteerd heeft. Ze zijn in eigen beheer uitgegeven, gedrukt bij online-distributeurs als Gopher en Alvo, die een uitkomst zijn voor menig genealoog als hij na jaren huisvlijt het resultaat in kleine kring wil verspreiden.
Zulke boeken komen voort uit een passie. Zo ook Spendels boeken. Ze zijn met het nodige geduld samengesteld na een ruime collectieperiode, bestemd toch ook voor belangstellenden in de boekwinkel, van populair-wetenschappelijke grondslag, niet met de pretentie van diepgegraven volledigheid, niet overdreven grappig of gedurfd (eerder droog opgeschreven) en aardig geïllustreerd maar zwart-wit.

In 'Bakker' is alles wat bakken aangaat er evenwel bijgehaald. Het boek bestaat uit twee delen: deel I - Familienamen, deel II - Geschiedenis. In het tweede deel worden ondermeer verschillende bakkers opgesomd met woordverklaring en wat dies meer zij. We krijgen inzicht in ovens, kleisoorten en het gildewezen. Tot slot nog een hoofdstuk met een allegaartje van spreekwoorden en anecdotes.
Het interessantste deel is allicht de eerste helft met de verzamelde familienamen in alfabetische volgorde van Aardewerk tot en met Zuurdeeg (volgens het voorwoord worden meer dan 700 verschillende namen vermeld). Hiervoor heeft Jan Spendel een hoeveelheid genealogische gegevens gebruikt en hij borduurt voort, zoals hij aangeeft, op informatie die in de Nederlandse Familienamenbank is ontsloten. Een twintigtal personen wordt achterin bedankt voor hun (genealogische) bijdrage met betrekking tot een door hun onderzochte familie. De naam Bakker zelf wordt overigens in 27 verschillende families opgesplitst.
Niet bij alle namen uit de bakkerij is de familiegeschiedenis uitgediept. Zo wordt de naam Bollebakker weliswaar genoemd met de verklaring ‘bakker van bollen’ (in Friesland bolle = wittebrood), maar is er over een familie Bollebakker blijkbaar niets bekend.
Enkele discutabele namen staan bijeen in het hoofdstukje ‘valse bakkernamen’. Daarin bijvoorbeeld de naam Bonebakker. De gezaghebbende naamkundige Frans Debrabandere veronderstelt dat deze naam een verhaspeling is van het toponiem ‘Boonacker’. Maar Jan Spendel stelt hier tegenover dat er wel degelijk ook met bonenmeel gebakken wordt en vraagt zich af of de familienaam hier misschien toch mee in verband kan worden gebracht. Tja, zonder historische gegevens over de familienaam of over het voorkomen van een woord ‘bonenbakker’ is er wat de naamsverklaring geen uitkomst, wat mij betreft.

- LB

Jan Spendel: Bakker in familienamen. Amsterdam, Uitgeverij Gopher, 2012, ISBN 9789051798081

woensdag 6 februari 2013

Carnaval - spotziek plezier

Zolang de mens enzovoort ... benoemt hij zijn medemens en een van de redenen om dat te doen is om zijn medemens te kwetsen. Door je naaste te pesten met een rotnaam, of om hem vast te pinnen aan een kenmerk, zet je hem toch maar mooi op zijn nummer. Wie rossig haar heeft zal het weten ook: we noemen hem ‘de rooie’. Op een gegeven moment haal je je schouders daar bij op, naamgever en benoemde, dan noem je iemand zo omdat hij nu eenmaal zo heet en je weet niet beter. De pejoratieve naamgeving blijkt toch aan de basis van een betere verstandhouding te hebben gelegen. Eigennamen zijn ingeburgerd. Uit zulke bijnamen zijn zelfs familienamen voortgekomen: De Ro, Rood, De Rooij, Roobol.

Humor komt uit de menselijke onderlaag omhoog om cultureel op te bloeien. Ook gemeenschappen werden en worden nog met bijnamen gekarakteriseerd. Met name de gemeenschappen dichtbij, want die zijn kenbaar. In carnavalstijd behoort de ‘carnavalsnaam’ tot de parafernalia. Oeteldonk als naam voor Den Bosch is inmiddels algemeen bekend, maar elk dorp of stadje waar ze een optocht houden heeft er wel een. In Limburg beperkt men zich kennelijk meer tot de dialectvorm van een plaatsnaam.

Bijna een eeuw geleden heeft Jozef Cornelissen in een serie boekwerken de scheldnamen van plaatsen en hun inwoners als groep verzameld. Latere verzamelaars hebben daar uiteraard veel profijt van gehad. Worden er nog nieuwe namen gegeven? De indruk bestaat dat het verschijnsel tanende is, maar misschien moet er beter veldwerk worden gedaan.
In carnavalstijd worden de onderlinge spotnamen als geuzennamen gedragen. Het probleem is natuurlijk dat je jezelf niet zo’n naam kunt geven. Je moet elders vernemen hoe je woonplaats en zijn inwoners genoemd worden. Dus dan toch maar weer naar de kermis in het volgende dorp en hopen dat ze je daar na een knok- en scheldpartijtje zo’n rotnaam geven zoals ‘Kruikezeikers’ of ‘Kaaienschijters’ die je trots mee terug kunt nemen.

Aanstekelijke literatuur (een selectie):

Jozef Cornelissen: Nederlandsche volkshumor op stad en dorp, land en volk. Spot- en bijnamen, spotrijmen, spotvertellingen, volksetymologische sagen, spreekwoorden en zegswijzen, enz., naar hun oorsprong en beteekenis verklaard. Antwerpen 1929.
-----
[Heerkens, Piet]: Spotnamen. Noord-Brabantse plaatsen en hun inwoners met een bijnaam.
In: De Wazerweijen. Heemkundekring 'De Heerlyckheit Dongen' (1991), nr. 39, p. 947-948.
Gevolgd door 'Brabantse scheldprocessie', overgenomen uit A. van Oirschot: Het land van de Brabanders (1975).
-----
A.L. Hottenhuis: Schelden doet geen pijn... Over namen en bijnamen.
In: Jaarboek Twente 30 (1991), p. 7-13. Met een lijst spotnamen van inwoners van Twentse plaatsen.

-----
Theo van de Voort: Scheldnamen in de regio Meerlo-Wanssum.
Z.p. 1994, 75 p.
-----
Dirk van der Heide: Scheldnamen.
In: Alledaagse Dingen. Tijdschrift over volkscultuur, regionale geschiedenis, folklore en volkskunst in Nederland.
1994, jrg. 1, nr. 1, p. 5.
Verzamelt de dorpsscheldnamen in heel Nederland en probeert de herkomst ervan te achterhalen. Inmiddels zijn er diverse publicaties verschenen, waaronder:
Dirk van der Heide: Groot schimpnamenboek van Nederland.
Bedum 1998, 308 p.
-----
G. Sels: Spotnamen, spotgebruiken en volkshumor uit de Turnhoutse Kempen.
In: Taxandria. Jaarboek van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van de Antwerpse Kempen 67 (1995), p. 87-168.
-----
Willem Boxma: Schimpnamen. Galgelapers, bregebidlers, grenaten en andere Friezen.
In: Traditie. Tijdschrift over tradities en trends 5 (1999), nr. 2, p. 12-13.
-----
Har Brok: Doppenhokkers, kooleters en andere scheldnamen.
In: De Jol. Tijdschrift van de Stichting Oudheidkamer Oostzaan 22 (2006), p. 14-18.
-----
Joop van Dalfsen: Waarom Brabantse plaatsen met carnaval anders heten.
In: Brieven van Paulus. Tweemaandelijks periodiek van de heemkundekring "Paulus van Daesdonck", Nieuw-Ginneken 32 (2007), nr. 163, p. 101-103.
-----
De Bosatlas van Nederland.
Groningen, Wolters-Noordhoff Atlasproducties, 2007, p. 359: Carnavalsnamen (in Noord-Brabant).
-----
Riemer Reinsma: Namen in boerenkiel. Carnavalsplaatsnamen in Nederland.
In: Onze Taal 77 (2008), nr. 1, p. 30-33.
-----
Harry Nijhuis: Van Twentse zoaltkloetens, gruppendrieters en heuimiegers.
In: Sprekend van aard. Bijnamen en karaktereigenschappen in streektalen. Het dialectenboek, 11. Groesbeek / Gent, Stichting Nederlandse Dialecten / Variaties vzw. 2011, p. 87-90.
-----

Website:
Lijst van alternatieve plaatsnamen tijdens carnaval
-----

Zo maar wat namen plus verhaalbron:

Grielachers - inwoners van de Sjeet (Schaesberg); huilers en lachers tegelijk.
Harry Haas: De Merksteinse burgerij anno 1668.
In: Bulletin Oudheidkundig en Cultuurhistorisch Genootschap Landgraaf 7 (1991), nr. 1, p. 13.

Berenlaaiers - inwoners van Lage Zwaluwe; die van Hoge Zwaluwe heten Donkerlanders; die van Moerdijk de Spieringkruiers.
Leo Zelissen: Over de geschiedenis van Lage Zwaluwe in de jaren na de eeuwwisseling.
In: De Bùrt. Uitgave van de Vereniging Heemkundekring "Willem Snickerieme" te Hooge en Lage Zwaluwe (1990), nr. 9, p. 7.

Gorteldonk / Gortzakken - Het van oudsher katholieke Limmen heet tijdens carnaval Gorteldonk. De bijnaam van een Limmenaar is een Gortzak. Gepelde gerst is gort en gerst heeft het op de geestgronden van Limmen altijd uitstekend gedaan.
Jan Derk Gerritsen: Van Lymbon tot Limmen in 1250 jaar.
In: Noord-Holland 9 (1990), nr. 5, p. 19.

Heksen - inwoners van Pesse in Drenthe.
Willem de Blécourt: Termen van toverij.
Nijmegen, SUN, 1990, p. 195.

Koekvreters - inwoners van Baarlo; Baolderse koakvraeter, Baolderse kook (en kukskes); i.v.m. de attractie bij feesten: het kokeraad.
Miep Heines: Keuk en Kukskes. Officiële en officieuze persoonsnamen in Baarlo.
Baarlose Sprokkelingen, nr 20. Baarlo, Historische Werkgroep "de Borcht", 1990, nr. 20, p. 6.

Stropiedorp / Stropielekkers (Strooplikkers) - Zaamslag en inwoners, i.v.m. anekdote over een lek in een vat stroop.
Mededelingen van de Zeeuwsche Vereniging voor Dialectonderzoek.
In: Nehalennia (1990), nr. 80, p. 38.

Kroosduikers, Stijfselkneters etc.
Encyclopedie van de Zaanstreek. Eindredactie Jan Pieter Woudt, Klaas Woudt.
Wormerveer-Zaanstad 1991, p. 138-139.

Artepellers (Erwtenpellers) - inwoners van Papendrecht.
Uit de ouwe dôôs. In: Mededelingenblad Historische Vereniging Hardinxveld-Giessendam 13 (1991), nr. 3, p. 129.

Schapekoppen of Schapedieven - inwoners van Dordrecht, i.v.m. 17e eeuwse legende over een gestolen schaap; carnavalsnaam van Dordt: Ooi- en Ramsgat.
Sibrand de Grauw & Gerard Gast: ABCDordt. Dordtse uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes.
Dordrecht 1991, p. 90.

Garenpapen - inwoners van Meijel.
Herman Crompvoets: Mééls woordenboek.
Medelo 6. Bijdrage tot de kennis van het Meijels heem. Meijel 1991, p. 110.

Grombuikers en Haringvreters - inwoners van Katwijk; grom is het ingewand van een vis; die van Rijnsburg heten Kleihielen, Koolstronken of Uien; die van Noordwijk de Suikerkonten omdat ze chicorei verbouwden.
Jan Swagerman: Vertellingen rondom de Oude Rijnmond.
Katwijk 1991, p. 134.

Kienawers - inwoners van Helmond; kienaw = kijk nu.
Zouwe kenne waai Hellemonders mekaar vurstoan.
Heemkundekring Beistervelds Broek 1991, p. 27.

Koolhazen - inwoners van Lochem, i.v.m. sage over het vangen op een koolveld van een haas die een ezel bleek te zijn.
Tienus: Kool; z'n historie en z'n sage.
In: De Olde Kaste. Uitgave van de Oudheidkundige Vereniging Hengelo Gelderland 4 (1991), jrg. 4, nr. 2, p. 17.

Klokkenverzuipers - inwoners van Oegstgeest; de parochianen die een klok gingen kopen, kwamen zonder klok terug; het geld was op aan reis- en verblijfkosten.
Riet van Dort: Sodom en Gomorrah, Nazareth, De Kaap en de Klokkenverzuipers.
In: Vereniging Oud Oegstgeest presenteert. Halfjaarlijks periodiek van de Vereniging Oud Oegstgeest 6 (1994), nr. 2, p. 21.

Kruikezeikers - inwoners van Tilburg.
Henk van Doremalen & Paul Spapens: Kruikezeikers. Mythe en werkelijkheid van een Tilburgs fenomeen.
Tilburg, Tilburgs Stadsmuseum, 2004, 46 p.

vrijdag 1 februari 2013

Namen in de literatuur - oratie van hoogleraar Karina van Dalen-Oskam

Waarom heeft commissaris Van Veeteren uit de Zweedse krimi's van Hakan Nesser een Nederlandse naam? Nee, deze vraag is niet juist, de vraag moet zijn: Hoe Nederlands is de naam Van Veeteren?
Het antwoord is: Voor de lezers lijkt Van Veeteren een Nederlandse naam, in de eerste plaats allicht door het voorzetsel 'van', maar hij bestaat niet als zodanig. Bovendien is deze naam waarschijnlijk niet zo maar bedacht door de auteur, maar heeft hij er bewust Zweedse woorden in door laten klinken, de vloek "Fan vet" of "Det vete Fan", wat zoiets betekent als 'alleen de duivel weet het', terwijl -vetare in een woord als Kulturvetare iemand met kennis van cultuur aanduidt. De naam Van Veeteren zou begrepen kunnen worden als 'iemand die van de duivel weet'.

De volgende vraag is: Hoe staat het met namen in de literatuur? Al jarenlang onderzoekt Karina van Dalen-Oskam, als een van de weinigen in het Nederlandse taalgebied, als zij daar naast haar andere werkzaamheden gelegenheid voor heeft, eigennamen in romans. Zij analyseert het gebruik en de functies van eigennamen als stilistisch element. Naamgeving is voor schrijvers uiterst belangrijk; een systematische verdieping van naamkundig onderzoek binnen de literatuurwetenschap kan tot saillante inzichten leiden.
Karina was van 2005 tot 2011 onderzoeksleider ICT & Teksten bij het Huygens Instituut en is sindsdien bij het Huygens ING onderzoeksleider van de afdeling Letterkunde. Meer nog, en grootschaliger, kan zij nu aandacht aan namen in de letteren besteden door haar ICT-expertise te beproeven in het project Namescape: "mapping the onymic landscape" - het naamkundige landschap in kaart brengen door een veelheid van teksten in een corpus doorzoekbaar te maken en woorden en begrippen te voorzien van 'tags' (kenmerken).
Inmiddels mag Karina ook met de titel professor worden aangesproken. Zij is bij de Universiteit van Amsterdam tot hoogleraar 'computationele literatuurwetenschap' benoemd. Aanstaande vrijdag, 1 februari 2013, houdt Prof. Dr. K.H. van Dalen-Oskam in de Aula der Universiteit (Singel 411) om 4 uur 's middags haar oratie, getiteld: De stijl van R.

Wie meer wil weten over de hoedanigheid van commissaris Van Veeteren als personage in naamkundig onderzoek leze het artikel 'Nordic Noir: waar komt commissaris Van Veeteren vandaan?'